Meer informatie over Lijfrente
1. Beschrijving lijfrente
2. Fiscale aspecten
3. Soorten lijfrentes
3.1 Gerichte en zuivere lijfrenteverzekering
4. Uitkering
5. Aftrekruimte
5.1 Jaarruimte
5.2 AOW franchise voor berekening premiegrondslag
5.3 Berekening factor A voor pensioenen met Beschikbare premieregeling
5.4 Reserveringsruimte
6. Overtreding van de lijfrentevoorwaarden
7. Verbetering aanspraak op pensioen
8. Geschiedenis en overgangsrecht
8.1 Verzekeringen van vóór 1992
8.2 Verzekeringen gesloten vanaf 1992
1. Beschrijving lijfrente
In feite bestaat een lijfrente uit twee verzekeringen, één voor de opbouwfase – de fase waarin het kapitaal wordt vergaard. En één voor de afbouwfase – de tijd waarin iemand uitkeringen ontvangt. Een lijfrenteverzekering is een levensverzekering waarvoor periodiek of éénmalig een premie betaald wordt aan een verzekeringsmaatschappij. Als de premie in één keer voldaan wordt dan heet het een koopsom, alleen de naam is anders want het blijft gewoon een lijfrenteverzekering. Voor een koopsom (storting in één keer) wordt nogal eens gekozen door ondernemers die in één keer hun oudedagsreserve of stakingswinst omzetten in een lijfrente. Met het ingelegde geld (de premie) wordt gespaard of belegd door de verzekeringsmaatschappij, op die manier bouwt de inlegger kapitaal op.
Lijfrenteverzekeringen worden altijd voor een bepaalde periode afgesloten, als de verzekering afloopt kan met het opgebouwde kapitaal een lijfrente gekocht worden. Dat hoeft niet bij dezelfde verzekeraar als waar het kapitaal is opgebouwd. Iemand kan shoppen en kiezen voor de verzekeraar die de beste voorwaarden biedt. In de afbouwfase (de fase van uitkering) ontvangt de eigenaar van de lijfrente periodiek een bedrag, dat kan per maand of per jaar zijn. De lijfrente kan tijdelijk of levenslang uitgekeerd worden, daarvoor kiest iemand zelf.
2. Fiscale aspecten
Sinds 2009 valt een lijfrenteovereenkomst óf in box 1, óf in box 3, niet meer deels in de ene, deels in de andere (dat laatste had praktische complicaties, de zgn. splitsingsproblematiek). Als de lijfrenteovereenkomst in box 1 valt hoeft over het opgebouwde kapitaal dus geen vermogensrendementsheffing betaald te worden. De uitkeringen zijn dan volledig belast als periodieke uitkeringen en verstrekkingen, zelfs als de premies niet of slechts gedeeltelijk fiscaal aftrekbaar zijn in box 1 als uitgave voor inkomensvoorzieningen, als gevolg van een ontoereikende aftrekruimte. Een beperkte uitzondering hierop is dat de bedragen van niet-aftrekbare premies tot € 2269 per premiejaar (voor alle lijfrenteovereenkomsten bij elkaar) van de uitkeringen aftrekbaar zijn (beperkte saldomethode).
Een op zich normale overeenkomst kan dan ook fiscaal zeer nadelig zijn (zoals de regering toegeeft: de regels kunnen "ruw uitwerken"). Met name zal het meestal nadelig zijn om een box-1-overeenkomst te sluiten waarvan de premies ver uitstijgen boven de aftrekruimte. De regering vindt dit acceptabel, en vindt het de verantwoordelijkheid van de belastingplichtige dat deze zo'n overeenkomst niet afsluit. Indien gewenst kan in aanvulling op of in plaats van een box-1-overeenkomst een box-3-overeenkomst worden gesloten.
De criteria die bepalen dat een lijfrenteverzekering in box 1 valt zijn als volgt. In de eerste plaats wordt de lijfrenteverzekering afgesloten bij een door de Belastingdienst erkende verzekeraar. Alle grotere verzekeraars zijn erkend. Verder gaat het om één van de volgende soorten lijfrenten:
• "Lijfrenten ter compensatie van een pensioentekort", d.w.z. lijfrenten van de
verderop genoemde drie soorten
• Lijfrenten voor meerderjarige invalide kinderen en –kleinkinderen
• Periodieke uitkeringen bij invaliditeit, ziekte of ongeval van de belastingplichtige
Alleen bij de eerste van deze drie soorten is de aftrekbaarheid van de premie beperkt tot de zgn, aftrekruimte, zie onder. Al naar gelang de wensen, en met name al naar gelang de aftrekruimte, kan men een lijfrenteverzekering kiezen die aan deze criteria voldoet, en/of één die juist niet aan de fiscale definitie (zie boven) of aan de hier genoemde criteria voldoet. Omdat er aan allerlei eisen voldaan moet worden om in box 1 te vallen zijn er diverse mogelijkheden om te zorgen dat de lijfrente in box 3 valt.
Anders dan een lijfrenteverzekering zijn een lijfrentespaarrekening en een lijfrentebeleggingsrecht speciale constructies om in box 1 te vallen. Als men in box 3 wil vallen kan men eenvoudig een andere vorm van sparen of beleggen kiezen. Wel bestaat net als bij een lijfrenteverzekering ook bij een lijfrentespaarrekening en een lijfrentebeleggingsrecht het gevaar dat men door een verkeerde berekening van de aftrekruimte een storting zou kunnen doen die niet aftrekbaar is, terwijl de uiteindelijke uitkeringen wel belast zijn.
3. Soorten lijfrentes
De volgende drie soorten lijfrenteverzekeringen die aan de fiscale definitie voldoen (zie boven) gelden als lijfrenten ter compensatie van een pensioentekort en vallen daardoor in box 1:
• Oudedagslijfrente: lijfrente waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, ingaan uiterlijk in het jaar waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt en uitsluitend eindigen bij zijn overlijden
• Tijdelijke oudedagslijfrente: lijfrente waarvan de termijnen toekomen aan de belastingplichtige, een looptijd hebben van ten minste vijf jaar, niet eerder ingaan dan in het jaar waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt en uiterlijk ingaan in het jaar waarin hij de leeftijd van 70 jaar bereikt, voorzover het gezamenlijke bedrag aan termijnen van die lijfrenten – beoordeeld naar het tijdstip van premiebetaling – niet meer beloopt dan € 20097 per jaar
• Nabestaandenlijfrente: lijfrente waarvan de termijnen toekomen aan een natuurlijk persoon en ingaan bij het overlijden van de belastingplichtige, van zijn partner of zijn gewezen partner, waarbij indien de termijnen toekomen aan een van hun bloed- of aanverwanten, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn, deze uitsluitend eindigen hetzij bij het overlijden van de gerechtigde hetzij uiterlijk op het tijdstip waarop deze de leeftijd van 30 jaar bereikt.
Aan een oudedagslijfrente wordt vaak een nabestaandenlijfrente gekoppeld, die ‘gekoppelde’ lijfrente bedraagt meestal 70% van de oorspronkelijke lijfrente. Met een tijdelijke oudedagslijfrente kan het inkomen tijdelijk aangevuld worden, bijvoorbeeld omdat er voor een bepaalde periode nog hypotheek betaald moet worden.
Een nabestaandenlijfrente keert na het overlijden van de verzekerde meestal uit aan de partner of een kind. In het algemeen zijn zulke lijfrentes gekoppeld aan een oudedagslijfrente. Voor de partner kan een tijdelijke of levenslange lijfrente worden afgesproken. Voor kinderen lopen de uitkeringen meestal tot hun 30e jaar. In plaats van of naast een nabestaandenlijfrente kan ook een overlijdensrisicoverzekering afgesloten worden. Nabestaandenlijfrenten worden nogal eens afgesloten om ervoor te zorgen dat een nabestaande een hypotheek kan aflossen. Bij veel hypotheken is een overlijdensrisicoverzekering verplicht.
3.1
Gerichte en zuivere lijfrenteverzekering
Een lijfrente kan worden afgesloten op basis van garantie of risico. Bij een lijfrente op basis van garantie staat vooraf vast hoeveel kapitaal iemand opbouwt, hoe de beleggingen ook uitpakken. De verzekeraar staat garant voor het eindkapitaal. Bij een verzekering op basis van risico is niet op voorhand te zeggen hoeveel kapitaal er uiteindelijk wordt opgebouwd, dat kan mee- of tegenvallen. De premie voor een lijfrente op basis van garantie is hoger dan een beleggingslijfrente. Een combinatie van garantie en risico is ook mogelijk. Een lijfrente op basis van garantie heet een zuivere lijfrente, een lijfrente op basis van risico heet een gerichte lijfrenteverzekering. Na afloop van de verzekering wordt aan de hand van het opgebouwde eindkapitaal de uitkering bepaald. Een gerichte lijfrenteverzekering wordt gebruikt als uitgestelde lijfrenteverzekering, de zuivere lijfrenteverzekering als ingegane lijfrenteverzekering.
4.
Uitkering
De uitkering vindt meestal achteraf per maand, kwartaal, half jaar of jaar plaats. De uitkering stopt in principe bij het overlijden van de ontvanger, het resterende bedrag vervalt dan aan de verzekeringsmaatschappij. Ook als een verzekerde overlijdt tijdens de opbouwfase – dus voordat de uitkeringen zijn ingegaan - dan kan het tot dan toe opgebouwde kapitaal helemaal aan de verzekeraar toevallen. Dat is afhankelijk van de voorwaarden bij de polis. Of er bij overlijden - tijdens de op- of afbouwfase - nog een slotuitkering plaatsvindt hangt van de voorwaarden af.
De uitkeringsspecificatie is vergelijkbaar met een loonstrook, maar dan eenvoudiger. Het raamwerk van de bruto-netto berekening is als volgt:
• Bruto bedrag, tevens grondslag voor de inkomensafhankelijke bijdrage ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw-bijdrage), en tevens "belastbaar loon"
• Af: Zvw-bijdrage
• Af: loonheffing (met vermelding of de loonheffingskortingen wel of niet worden toegepast, en zo ja, welke)
• Resultaat: netto bedrag
Vaak staan ook de cumulatieve bedragen vanaf het begin van het kalenderjaar vermeld.
Op de uitkering wordt de Zvw-bijdrage ingehouden ondanks het feit dat lijfrentepremie niet aftrekbaar is voor de bepaling van de Zvw-bijdrage.
5. Aftrekruimte
De in totaal in een jaar betaalde premies voor box-1-lijfrenten "ter compensatie van een pensioentekort", lijfrentespaarrekeningen en lijfrentebeleggingsrechten is aftrekbaar tot het bedrag van de aftrekruimte. De aftrekruimte is de som van de zogenoemde jaarruimte, de reserveringsruimte, en de bedragen van omzetting van fiscale oudedagsreserve (FOR) en stakingswinst in lijfrente. De eerste twee zijn afhankelijk van het daadwerkelijke pensioentekort, d.w.z. dat iemand met zijn pensioenopbouw minder dan 70% van zijn gemiddeld verdiende salaris haalt.
5.1 Jaarruimte
De jaarruimte dient ter compensatie van het tekort aan pensioenopbouw in het belastingjaar zelf. Voor de bepaling van de jaarruimte is een formule opgesteld:
( 0,17 x premiegrondslag ) – ( 7,5 x A ) – F – S
Waarbij:
• Premiegrondslag: winst uit onderneming, salaris e.d., tot maximaal € 150.957,-- (2007; per 1 januari 2008 € 89.733,- ), minus de AOW franchise (2007: € 11.977).
• A: Aangroei van pensioenaanspraken. Van deze "Factor A" verstrekt het pensioenfonds jaarlijks een opgave op het Uniform Pensioenoverzicht.
• F: Netto toename FOR.
• S: vrijwillige bijdrage op een pensioenregeling, waarvoor bedrijfsspaargelden zijn gedeblokkeerd.
5.2 AOW franchise voor berekening premiegrondslag
| 1999 |
2000 |
2001 |
2002 |
2003 |
2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
2008 |
| € 9.896 |
€ 9.896 |
€ 9.896 |
€ 10.203 |
€ 10.571 |
€ 10.571 |
€ 10.719 |
€ 10.816 |
€ 10.990 |
€ 11.155 |
5.3 Berekening factor A voor pensioenen met Beschikbare premieregeling
De factor A bedraagt: betaalde pensioenpremie x de rekenfactor.
De rekenfactor is afhankelijk van de leeftijd op 1 januari van het betreffende jaar.
| Leeftijdscategorie |
rekenfactor voor 2006 |
rekenfactor vanaf 2006 |
| 15 jaar of ouder, maar jonger dan 20 jaar |
0,30 |
0,36 |
| 20 jaar of ouder, maar jonger dan 25 jaar |
0,24 |
0,30 |
| 25 jaar of ouder, maar jonger dan 30 jaar |
0,20 |
0,25 |
| 30 jaar of ouder, maar jonger dan 35 jaar |
0,17 |
0,21 |
| 35 jaar of ouder, maar jonger dan 40 jaar |
0,14 |
0,17 |
| 40 jaar of ouder, maar jonger dan 45 jaar |
0,12 |
0,14 |
| 45 jaar of ouder, maar jonger dan 50 jaar |
0,10 |
0,12 |
| 50 jaar of ouder, maar jonger dan 55 jaar |
0,08 |
0,10 |
| 55 jaar of ouder, maar jonger dan 60 jaar |
0,07 |
0,08 |
| 60 jaar of ouder, maar jonger dan 65 jaar |
0,05 |
0,07 |
5.4 Reserveringsruimte
Met de reserveringsruimte kan de onbenutte jaarruimte van de afgelopen zeven jaar worden ingehaald. Maximale te gebruiken reserveringsruimte: € 6.590,- (2008) per jaar, of, indien lager: 17% van de premiegrondslag
De lijfrente-inleg die voor 1 april is betaald kan nog in het voorafgaande jaar worden afgetrokken.
6. Overtreding van de lijfrentevoorwaarden
Als er t.a.v. een lijfrente in box 1 een verboden handeling wordt verricht wordt alle inleg plus het behaalde rendement in één keer bij het inkomen opgeteld. Verder is er een revisierente van 20% van de economische waarde verschuldigd.[2]
Verboden handelingen zijn
• afkoop
• vervreemding
• emigratie
• tot zekerheid overdragen
• het niet langer voldoen aan de voorwaarden voor lijfrenteaftrek
7. Verbetering aanspraak op pensioen
Een "verbetering aanspraak op pensioen" is een met terugwerkende kracht doorgevoerde verbetering van het pensioen. In dergelijke gevallen kan het voorkomen dat de jaarruimte ook met terugwerkende kracht aangepast moet worden. De onterecht verleende jaarruimte kan worden teruggevorderd. Dit geldt niet wanneer er wordt deelgenomen aan een collectieve pensioenregeling.
8. Geschiedenis en overgangsrecht
Oude regels zijn nog lange tijd van belang door de lange duur van veel lijfrenteverzekeringen en door het overgangsrecht.
Belangrijke wijzigingen waren:
• Per 1 januari 1992 de zg. Brede Herwaardering.
• Per 1 januari 2001 de Wet inkomstenbelasting 2001.
• Per 1 januari 2003 de afschaffing van de basisaftrek.
• Per 1 januari 2006 het niet meer fiscaal toegestaan zijn van de overbruggingslijfrente.
• Per 1 januari 2008 invoering van banksparen, waaronder banksparen voor de oude dag.
• Per 1 januari 2009 de afschaffing van de mogelijkheid dat een lijfrente deels in box 1 en deels in box 3 valt; vanaf deze datum kan een op zich normale overeenkomst fiscaal zeer nadelig kan zijn.
8.1 Verzekeringen van vóór 1992
Vóór 1992 was de opbouwfase van de lijfrenteverzekering meestal in de vorm van een "kapitaalverzekering met lijfrenteclausule". De maximale premie-aftrek was in 1991 f 17.459 (€ 7923); deze was onafhankelijk van het hebben van een pensioentekort. Er gold een eerbiedigende werking voor premie-aftrek in de jaren 1992 tot en met 2000 op basis van een verzekering afgesloten vóór 16 oktober 1990. Het aftrekbare bedrag was ook nog geïndexeerd.
Zulke oude kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule kunnen nog steeds lopen, en de clausule is dan ook nog steeds van belang. Deze bindt de verzekeringnemer niet zozeer tegenover de verzekeraar maar vooral tegenover de fiscus, en houdt in dat het kapitaal aan een lijfrente besteed moet worden, met ruimere mogelijkheden dan tegenwoordig. Bovendien zijn bij overtreding de consequenties milder dan volgens de huidige regeling: er geldt slechts dat de uitkering of waarde in één jaar in zijn geheel in box 1 is belast, in plaats van gespreid over meer jaren.
8.2 Verzekeringen gesloten vanaf 1992
Op 1 januari 1992 is de Brede Herwaardering ingegaan. Sindsdien is een nieuwe kapitaalverzekering met lijfrenteclausule niet meer aan de orde, en gelden in grote lijnen de huidige strengere eisen aan het type lijfrente, behalve dat tot 1 januari 2006 nog wel de overbruggingslijfrente fiscaal was toegestaan. (De overbruggingslijfrente dient voor de overbrugging van een periode na geheel of gedeeltelijk stoppen met werken, tot aan de 65-jarige leeftijd en/of de datum dat een pensioen ingaat.) Naast de "zuivere lijfrente" is er nu de "gerichte lijfrente". Bij afkoop of omzetting in een niet toegestaan type lijfrente geldt de huidige strenge regeling.
Voor de aftrekbaarheid worden van 1992 tot en met 2000 "tranches" onderscheiden, de eerste tranche betreft de basisaftrek die onafhankelijk is van een pensioentekort. Deze bedraagt in 1992 f 5150 (€ 2337). Met de invoering van het Wet inkomstenbelasting 2001 per 1 januari 2001 is de naam "eerste tranche" vervangen door basisaftrek, en het bedrag wordt verlaagd tot ruim € 1000, zonder overgangsregeling. Aftrek die afhankelijk is van een pensioentekort heet nu jaarruimte en reserveringsruimte. De basisaftrek is per 1 januari 2003 afgeschaft.
Met de invoering van het nieuwe belastingstelsel in 2001 kunnen verschillende situaties zijn ontstaan.
1. Er wordt meer premie betaald dan volgens de jaarruimte is toegestaan, het niet-aftrekbare gedeelte is niet groter dan € 2.269,-- en de verzekering is ingegaan vóór 14 september 1999 en sindsdien ongewijzigd. De hele uitkering valt onder de oude regels.
2. Als bij 1, maar het niet-aftrekbare gedeelte is groter dan € 2.269,--. Dan wordt de verzekering gesplitst in vier delen:
1. Een deel waarop voor de premies en uitkeringen de nieuwe regels gelden;
2. Een deel waarop voor de uitkeringen de oude regels gelden. Dit is het deel waarvoor de premies zijn betaald voor 1 januari 2001;
3. Een deel waarvoor een niet-aftrekbare premie is betaald, na 14 september 1999, van max. € 2.269,--
4. Een deel met het niet-aftrekbare gedeelte voor boven € 2.269,--
Met ingang van 1 januari 2006 is de premie voor een overbruggingslijfrente niet meer aftrekbaar. De reeds opgebouwde rechten blijven onaangetast.
Een lijfrenteovereenkomst van vóór 2009 die deels in box 1 en deels in box 3 viel valt nu geheel in box 1, met dien verstande dat t.a.v. vóór 2009 betaalde niet-aftrekbare premies de saldomethode zonder maximum wordt toegepast. Ook wordt splitsing in een box-1- en een box-3-polis fiscaal mogelijk gemaakt, en is er overleg met de verzekeringsmaatschappijen om hieraan mee te werken.